Toen Christoffel
Columbus in 1492 aan land kwam op het eiland trof
hij er een onbekend volk aan, de Tainos
(in het Arawac betekende deze naam 'goed' of 'nobel'. De Tainos
woonden hier al sinds 800 v. Chr. Ze leefden vrij eenvoudig maar hadden
een rijke landbouwcultuur en vele religieuze tradities. Hun cultuur was
de rijkste van het hele Caraïbisch gebied. Na de verovering van het
eiland door de Europeanen stierf het Taino-volk heel vlug uit (na
ongeveer 50 jaar) waardoor hun invloed op de latere Dominicaanse
samenleving vrij beperkt bleef.
Het
eiland werd in 1492 'La Espagnola' of 'Hispaniola'
genoemd. Vrij vlug na
de bouw van het eerste fort begon het proces van
de transculturalisatie dat zo typisch is voor de Dominicaanse
samenleving, het product van gemengde oorsprong, een mengeling van
Spaanse invloeden met Afrikaanse slavenkultuur en een beetje
overgebleven inboorlingenbloed.
Hispaniola
was de eerste Europese kolonie in de nieuwe wereld, en de hoofdstad Santo
Domingo staat bekend als de 'eerste stad in Amerika',
vestiging van de eerste culturele en koloniale instellingen in de nieuwe
wereld. De eerste forten, kerken, ziekenhuizen, monumenten en
universiteit werden hier gebouwd. Tot het einde van de 16de eeuw was het
eiland heel welvarend dank zij de rijkdom aan minerale grondstoffen en
het systeem van de suikerrietplantages.
Toen de goudmijnen uitgeput raakten, begon een emigratiegolf die het
bevolkingsaantal van de kolonie ernstig naar omlaag haalde. Franse
zeerovers maakten hiervan gebruik om het eiland in te palmen en er een
smokkelaarsnest van te maken. Ze namen bezit van de Westelijke helft van
Hispaniola en stichtten er de kolonie Saint-Domingue.
Deze kolonie leefde vooral op de exploitatie van de Afrikaanse slaven in
de plantages.
In
1697 erkende Spanje met het Verdrag van
Rijswijck de Franse bezetting van het westelijk gedeelte.
In 1795 gaf Spanje zelfs het hele eiland aan Frankrijk, na de
Haïtiaanse Revolutie. Toussaint Louveture viel de oostelijke kant
van het eiland aan wat een reactie van de Fransen uitlokte. Ze
bestuurden Santo Domingo gedurende zes jaar tot ze werden verslagen door
een groep Dominicanen onder leiding van Juan Sanchez Ramirez. Hij
slaagde erin om het oostelijke deel van het eiland opnieuw onder Spaanse
heerschappij te brengen. In 1822 werd Santo Domingo opnieuw aangevallen
door de Haïtianen en pas in 1844 slaagde Juan
Pablo Duarte erin om de onafhankelijke staat van de
Dominicaanse Republiek uit te roepen.
Tussen
1861 en 1863 werd de Dominicaanse Republiek terug door Spanje
geannexeerd, maar daarna werd opnieuw de onafhankelijkheid in ere
hersteld. Tussen 1916 en 1924 werd het eiland bezet door troepen van de
Verenigde Staten, hetgeen nog eens gebeurde in 1965 omdat de VS in de
installatie van Juan Bosch
als president van de Republiek een communistische coup zagen. Bosch had
nochtans de eerste vrije democratische verkiezing na de dictatuur van
Rafael L. Trujillo gewonnen.